
Zoveel spaargeld mag je in 2026 belastingvrij op je rekening hebben
Iedere maand wat geld opzijzetten is verstandig, maar naarmate je spaarpot groeit komt ook de Belastingdienst om de hoek kijken. In 2026 mag je als alleenstaande €59.357 aan vermogen hebben zonder dat daar box 3-belasting over wordt geheven. Met een fiscaal partner bedraagt de gezamenlijke vrijstelling €118.714. Maar let op: niet alleen het saldo van je spaarrekening telt mee.
De grens waar het om draait heet het heffingsvrije vermogen. Zolang je totale vermogen in box 3 daaronder blijft, betaal je daarover in principe geen box 3-belasting.
Voor veel spaarders is vooral de peildatum belangrijk. De Belastingdienst kijkt namelijk naar je vermogen op 1 januari van het betreffende belastingjaar.
Belastingvrij vermogen stijgt in 2026
Voor 2026 bedraagt het heffingsvrije vermogen €59.357 per persoon.
Heb je een fiscaal partner, dan kunnen jullie samen gebruikmaken van een vrijstelling van €118.714.
Dat is iets meer dan in 2025. Toen bedroeg het heffingsvrije vermogen €57.684 per persoon en €115.368 voor fiscale partners.
Het verschil lijkt misschien niet enorm, maar voor mensen die rond de grens zitten kan de verhoging wel degelijk uitmaken.
Belangrijk is dat deze bedragen betrekking hebben op je totale box 3-vermogen en dus niet uitsluitend op spaargeld.
De Belastingdienst kijkt naar 1 januari
Voor box 3 werkt de Belastingdienst met een vaste peildatum.
Dat is 1 januari van het belastingjaar.
Voor belastingjaar 2026 wordt dus gekeken naar de waarde van je bezittingen en schulden op 1 januari 2026.
Stond er op dat moment bijvoorbeeld €40.000 op je spaarrekening en had je verder geen bezittingen die in box 3 vallen? Dan blijf je als alleenstaande onder de vrijstelling van €59.357.
Maar heb je naast €40.000 spaargeld ook €30.000 aan beleggingen, dan bedraagt je vermogen vóór eventuele aftrekbare schulden samen €70.000. Je zit dan boven het heffingsvrije vermogen.
Niet alleen je spaarrekening telt mee
De term ‘spaargeldbelasting’ kan daardoor enigszins verwarrend zijn.
Box 3 omvat namelijk veel meer dan alleen geld dat je op een traditionele spaarrekening hebt staan.
Ook het saldo op betaalrekeningen kan meetellen. Hetzelfde geldt voor geld op buitenlandse bankrekeningen.
Daarnaast vallen bijvoorbeeld aandelen, beleggingsfondsen en andere beleggingen doorgaans in box 3.
Ook cryptovaluta zoals bitcoin en de waarde van een tweede woning kunnen tot je box 3-bezittingen behoren.
Wie wil weten of hij boven de belastingvrije grens uitkomt, moet daarom naar het totaalplaatje kijken.
Moet je al je spaargeld opgeven?
Dat je onder de vrijstelling blijft, betekent niet automatisch dat je banktegoeden buiten je belastingaangifte kunnen worden gehouden.
Bij de aangifte vraagt de Belastingdienst naar de relevante bezittingen en schulden in box 3. Nederlandse banken leveren veel financiële gegevens bovendien rechtstreeks aan bij de Belastingdienst.
Vervolgens wordt bepaald of je totale vermogen boven het heffingsvrije bedrag uitkomt.
Het is dus niet zo dat je pas naar je vermogen hoeft te kijken wanneer je meer dan €59.357 op één specifieke spaarrekening hebt staan.
Je verschillende box 3-bezittingen worden gezamenlijk bekeken.
Voorbeeld met €65.000 spaargeld
Stel dat je op 1 januari 2026 als alleenstaande €65.000 aan spaargeld hebt en verder geen box 3-bezittingen of relevante schulden.
De vrijstelling bedraagt €59.357.
Je zit dan €5.643 boven het heffingsvrije vermogen.
Dat betekent echter niet dat je over die €5.643 simpelweg een vast percentage vermogensbelasting betaalt.
De berekening van box 3 werkt anders.
Belastingdienst kijkt naar rendement
Wanneer je boven de vrijstelling uitkomt, speelt het rendement op je vermogen een belangrijke rol.
Binnen het huidige box 3-stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën vermogen.
Bank- en spaartegoeden worden anders behandeld dan beleggingen en andere bezittingen. Ook voor aftrekbare schulden wordt met een afzonderlijk percentage gewerkt.
In de aangeleverde informatie wordt voor 2026 voorlopig uitgegaan van ongeveer 1,28 procent voor banktegoeden en ongeveer 6 procent voor beleggingen en andere bezittingen.
Voor aftrekbare schulden wordt een percentage van ongeveer 2,70 procent genoemd.
De definitieve percentages voor 2026 kunnen pas later worden vastgesteld.
Spaargeld en beleggingen zijn dus niet hetzelfde
Dat onderscheid kan behoorlijk belangrijk zijn.
Iemand met voornamelijk spaargeld kan bij hetzelfde totale vermogen fiscaal anders uitkomen dan iemand die een groot gedeelte van zijn vermogen heeft belegd.
Dat komt doordat voor beide categorieën verschillende rendementen worden gebruikt in de berekening.
Alleen kijken naar de totale waarde van je vermogen vertelt daarom nog niet hoeveel box 3-belasting je uiteindelijk moet betalen.
Welke bezittingen tellen mee?
Onder box 3 kunnen onder andere bank- en spaartegoeden, aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, cryptovaluta en een tweede woning vallen.
Je eigen woning wordt in de regel niet als box 3-bezitting behandeld wanneer deze onder de eigenwoningregeling valt.
Ook normale persoonlijke bezittingen voor eigen gebruik, zoals je inboedel of auto, worden doorgaans niet simpelweg bij je box 3-vermogen opgeteld.
Bij bijzondere of waardevolle bezittingen kunnen echter andere regels gelden.
Ook contant geld kan boven een bepaalde vrijstelling relevant zijn voor de aangifte.
Schulden kunnen het vermogen verlagen
Heb je schulden, dan kunnen die onder voorwaarden eveneens een rol spelen.
Bepaalde schulden in box 3 mogen worden meegenomen bij de berekening, waarbij rekening wordt gehouden met een schuldendrempel.
Het is dus niet zo dat iedere euro schuld automatisch één euro van je belastbare vermogen afhaalt.
Ook schulden die fiscaal ergens anders worden behandeld, kunnen niet zomaar nogmaals in box 3 worden afgetrokken.
Geld vlak voor 1 januari verplaatsen?
Omdat 1 januari zo belangrijk is, kan het aantrekkelijk lijken om vlak voor de jaarwisseling vermogen te verschuiven.
Een bekend voorbeeld is iemand die beleggingen kort voor 1 januari verkoopt en het geld tijdelijk op een spaarrekening zet, om de beleggingen kort daarna opnieuw te kopen.
Dit wordt peildatumarbitrage genoemd.
Daar bestaan speciale regels voor.
Wie rond de peildatum vermogen tijdelijk verschuift met als belangrijkste doel een belastingvoordeel te behalen, kan er niet automatisch vanuit gaan dat de Belastingdienst die wijziging voor de box 3-berekening accepteert.
Een normale transactie met een zakelijke of persoonlijke reden is iets anders dan een tijdelijke constructie die uitsluitend rond de peildatum wordt uitgevoerd.
De grens geldt voor je totale vermogen
Voor spaarders is de belangrijkste boodschap uiteindelijk vrij eenvoudig.
Op 1 januari 2026 bedraagt het heffingsvrije vermogen €59.357 per persoon. Voor fiscale partners gaat het gezamenlijk om €118.714.
Maar dat betekent niet dat iedereen zonder verdere vragen precies dat bedrag op zijn spaarrekening kan zetten en verder nergens naar hoeft te kijken.
Je moet rekening houden met al je relevante box 3-bezittingen. Heb je naast spaargeld bijvoorbeeld beleggingen, cryptovaluta of een tweede woning, dan kunnen die meetellen bij het bepalen van je vermogen. Blijf je als alleenstaande onder €59.357 of als fiscale partners gezamenlijk onder €118.714, dan valt je vermogen binnen de heffingsvrije grens voor 2026.



